spitsuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spits·uur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spitsuur spitsuren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

spitsuur o

  1. (verkeer) de tijd van de dag dat de drukte op de weg het grootst is
    • Tijdens de spitsuren wordt de vluchtstrook opengesteld voor verkeer. 
  2. topdrukte
    • Momenteel is het spitsuur in de winkel. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be