croupier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • crou·pier
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘spelleider’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • van het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord croupier croupiers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

croupier m [3]

  1. (beroep) spelleider van een casino
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders
84 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen