couturier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cou·tu·rier
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘modeontwerper’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1970 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord couturier couturiers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

couturier m

  1. modeontwerper, ontwerper en maker van modieuze kledij
    • Modellen showden de creaties van de couturier op de catwalk. 
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders
90 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen