contrasteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·tras·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
contrasteren
contrasteerde
gecontrasteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

contrasteren

  1. absoluut een tegenstelling vormen
    • Tegen die achtergrond contrasteert het nauwelijks. 
  2. overgankelijk in tegenstelling brengen
    • In dat boek wordt dat gecontrasteerd tegen de gebeurtenissen in het oosten. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen