continuüm

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·ti·nu·um
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord continuüm continua
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

continuüm o [2]

  1. (natuurkunde) doorlopend, aaneensluitend geheel binnen de scoop waarin wordt waargenomen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
83 % van de Nederlanders
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal