cellulitis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cel·lu·li·tis
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘zwelling van onderhuids bindweefsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1910 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord cellulitis -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

cellulitis v

  1. (medisch) ontsteking van het onderhuidse bindweefsel
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen