cataract

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·ta·ract
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘staar’ voor het eerst aangetroffen in 1351 [1]
  • met het voorvoegsel cata-
1 enkelvoud meervoud
naamwoord cataract -
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord cataract cataracten
verkleinwoord cataractje cataractjes

Zelfstandig naamwoord

cataract v/m

  1. (medisch) grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
  2. (ook o): een onbevaarbare stroomversnelling in een rivier
    • De grens van het Oude Egypte lag meestal bij de tweede cataract op de Nijl. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

55 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Zelfstandig naamwoord

cataract

  1. (medisch) cataract