cataract

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·ta·ract
Woordherkomst en -opbouw
  • met het voorvoegsel cata-
1 enkelvoud meervoud
naamwoord cataract -
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord cataract cataracten
verkleinwoord cataractje cataractjes

Zelfstandig naamwoord

cataract v/m

  1. (medisch) grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
  2. (ook o): een onbevaarbare stroomversnelling in een rivier
    De grens van het Oude Egypte lag meestal bij de tweede cataract op de Nijl.
Synoniemen
Vertalingen
Gangbaarheid
55 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

Zelfstandig naamwoord

cataract

  1. (medisch) cataract