cataract

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
1 enkelvoud meervoud
naamwoord cataract -
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord cataract cataracten
verkleinwoord cataractje cataractjes
Woordafbreking
  • ca·ta·ract
Woordherkomst en -opbouw
  • met het voorvoegsel cata-

Zelfstandig naamwoord

cataract v/m

  1. (medisch) grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
  2. (ook o): een onbevaarbare stroomversnelling in een rivier
    De grens van het Oude Egypte lag meestal bij de tweede cataract op de Nijl.
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie


Engels

Zelfstandig naamwoord

cataract

  1. (medisch) cataract