carcinoom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • car·ci·noom
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kankergezwel’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • afgeleid van het Griekse 'karkinōma' (kanker) (met het achtervoegsel -oom) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord carcinoom carcinomen
verkleinwoord carcinoompje carcinoompjes

Zelfstandig naamwoord

carcinoom o

  1. (medisch) kankergezwel, bestaande uit epitheelcellen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen