rubberen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rub·be·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van rubber met het achtervoegsel -en. Het woord is pas sinds de tweede helft van de 20e eeuw algemeen aanvaard.
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen rubberen

Bijvoeglijk naamwoord

rubberen

  1. van rubber vervaardigd
    • Hij plaatste wat rubberen onderzetters onder de balans als schokdempers. 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be