canasta

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·nas·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘kaartspel’ voor het eerst aangetroffen in 1951 [1]
  • van het Spaans (canasta=mand) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord canasta canasta's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

canasta o [3]

  1. (kaartspel) uit Argentinië afkomstig kaartspel, gespeeld met twee spellen kaarten inclusief jokers (2 keer 52 kaarten en 2 keer 2 jokers, dus 108 kaarten)

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
39 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Occitaans

Uitspraak
  • IPA: /ka.ˈnas.tɔ/
Woordafbreking
  • ca·nas·ta
enkelvoud meervoud
canasta canastas

Zelfstandig naamwoord

canasta v

  1. mand


Spaans

Uitspraak
  • IPA: /ka.ˈnas.ta/
Woordafbreking
  • ca·nas·ta
enkelvoud meervoud
canasta canastas

Zelfstandig naamwoord

canasta v

  1. mand