Naar inhoud springen

caisse

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  caisse     la caisse     caisses     les caisses  

caisse v

  1. kist [1]
  2. (techniek), (handel) kassa [3]
  3. (handel) kassa [1]; plaats waar de klant de aankopen betaalt
  4. (spreektaal), (transport) kar, wagen, bak (let. kist)
    «Tu roules encore avec cette vieille caisse pourrie?»
    Rij je nog altijd met die ouwe rotte bak? [1]
  5. (spreektaal) scheet
    «Michel a lâché une caisse au moment où le chef est arrivé, ça daubait grave.»
    Michel liet een scheet net toen de baas binnenkwam, het stonk vreselijk. [1]