building

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

building
Uitspraak
Woordafbreking
  • buil·ding
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels: een gebouw
enkelvoud meervoud
naamwoord building
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

building v/m

  1. (België) een gebouw met meerdere verdiepingen
Synoniemen
  1. flatgebouw

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
building buildings [3]

Werkwoord

building

  1. onvoltooid deelwoord van build

Zelfstandig naamwoord

building

  1. gerundium van build
  2. bouw
    «The building of the bridge will be completed in a couple of weeks.»
    De bouw van de brug zal binnen enkele weken worden voltooid.
  3. bouwwerk, gebouw
    «This is a very old building
    Dit is een erg oud gebouw.