brandend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bran·dend
stellend
onverbogen brandend
verbogen brandende
partitief brandends

Bijvoeglijk naamwoord

brandend

  1. van iets dat het een vuurtje bevat
     De brandende lampion die de kinderen, op de avond van Sint Maarten, zingend langs de huizen dragen, de kerstboom, de suizende lichtpijlen als het nieuwe jaar begint en de hoge sprong over het vuur op het zomerfeest van Sint Jan.[1]
  2. van iets dat het licht en hitte uitstraalt
     Na dagen in de brandende zon gelopen te hebben, verliet ik de trail om bij het hostel Burney Mountain Guest Ranch een dag goed bij te slapen.[2]
  3. van iets dat het snel ingrijpen vereist
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van: branden
verbogen vorm: brandende

brandend

  1. onvoltooid deelwoord van branden

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 7
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be