botch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • botch
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Middelengels
enkelvoud meervoud
botch botches

Zelfstandig naamwoord

botch

  1. knoeiwerk; bijvoeglijk vertaald: mislukt (zie voorbeeldzin)
    «A suicide bomber was killed in a botch attack in southern Kandahar province this morning, police said Sunday.»
    Een zelfmoordterrorist werd gedood in een mislukte aanslag in de zuidelijke provincie Kandahar vanmorgen, zei de politie zondag.
Uitdrukkingen en gezegden
  • botch attack
een mislukte aanslag
vervoeging
onbepaalde wijs to botch
he/she/it botches
verleden tijd botched
voltooid
deelwoord
botched
onvoltooid
deelwoord
botching
gebiedende wijs botch

Werkwoord

botch

  1. overgankelijk broddelen, prutsen, verprutsen, verknoeien