verprutsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·prut·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verprutsen
verprutste
verprutst
zwak -t volledig

Werkwoord

verprutsen

  1. iets waardeloos maken, iets verknoeien, verpesten
    De vlek verprutste de mooie trouwjurk en daarmee ook de hele bruiloft.
  2. niet nuttig gebruiken
    Hij verprutste zijn tijd, geld en moeite door maar te blijven werken aan de onmogelijke uitvinding.