bons

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bons

Werkwoord

vervoeging van
bonzen

bons

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonzen
    • Ik bons. 
  2. gebiedende wijs van bonzen
    • Bons! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonzen
    • Bons je? 
enkelvoud meervoud
naamwoord bons bonzen
verkleinwoord bonsje bonsjes

Zelfstandig naamwoord

bons m

  1. een geluid veroorzaakt bij het bonzen
    • Hij hoorde een luide bons en rende de trap op om te zien wat er nu weer gedeurd was. 
  2. een machtige functionaris in een bond of partij
    • De bonzen zullen daar nooit mee akkoord gaan. 
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iemand de bons geven
het beëindigen van een liefdesrelatie

Zelfstandig naamwoord

bons mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bon
Opmerkingen
  • Dit meervoud wordt vnl in België gebruikt
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.


Frans

Bijvoeglijk naamwoord

bons

  1. mannelijk meervoud van bon