bonzen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bonzen bonsend
gebons


Woordafbreking
  • bon·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • ww: afgeleid van  bons zn  met het achtervoegsel -en, in de betekenis van ‘hevig kloppen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1589 [1][2][3]
  • zn [1]: bons met de uitgang -en, waarbij de sisklank weer stemhebbend wordt en de s in een z verandert
  • zn [2]: bonze met de uitgang -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bonzen
bonsde
gebonsd
zwak -d volledig

Werkwoord

bonzen

  1. inergatief bij herhaling slaande, een luid, laag geluid maken
    • Zij bonsden hard op de deur en riepen: "open de deur!". 
  2. heftig kloppen (van het hart)
    • Zijn hart bonsde heftig toen hij zijn geliefde in het oog kreeg. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

bonzen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bons
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord bonze

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen