bonkelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bon·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bonkelen
bonkelde
gebonkeld
zwak -d volledig

Werkwoord

bonkelen

  1. inergatief zich met dreunend gebons verplaatsen
    • Wij bonkelen op onze fietsen over de Kemmelberg. 
    • Het koperen blakertje waaraan zij bezig was glipte uit haar hand en bonkelde over de tafel. [1]

Verwijzingen