bisschoppelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bis·schop·pe·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bisschoppelijk bisschoppelijker bisschoppelijkst
verbogen bisschoppelijke bisschoppelijkere bisschoppelijkste
partitief bisschoppelijks bisschoppelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

bisschoppelijk

  1. op het ambt van bisschop betrekking hebbend
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be