bips

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bips
enkelvoud meervoud
naamwoord bips bipsen
verkleinwoord bipsje bipsjes

Zelfstandig naamwoord

bips v

  1. (anatomie), (eufemisme) billen, achterwerk, derrière
    • - Voor de bips geldt kijken, kijken, maar niet aankomen. 
    • - Het stoute kind kreeg een tik op zijn bips. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie