bips

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bips
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘achterwerk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1894 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bips bipsen
verkleinwoord bipsje bipsjes

Zelfstandig naamwoord

bips v

  1. (anatomie), (eufemisme) billen, achterwerk, derrière
    • - Voor de bips geldt kijken, kijken, maar niet aankomen. 
    • - Het stoute kind kreeg een tik op zijn bips. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen