bipolariteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·po·la·ri·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bipolariteit bipolariteiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bipolariteit v

  1. twee uitersten hebbend, twee uiterste toestanden kennend
    • Volgens hen zou er veel gewonnen zijn als „er in het Nederlandse systeem meer bipolariteit komt.” Dat houdt in dat het politieke krachtenveld niet verbrokkelt in een veelheid van kleine partijen, maar dat de burger in de gelegenheid wordt gesteld om te kiezen voor hetzij een links, hetzij een rechts machtsblok. [1] 
    • Lovato maakt zich al jaren sterk voor voorlichting over geestelijke gezondheid en heeft meerdere malen openlijk gesproken over haar bipolariteit. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen