binnenhouden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·hou·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
binnenhouden
hield binnen
binnengehouden
klasse 7 volledig

Werkwoord

binnenhouden

  1. niet uitbraken
    • Hij kon gelukkig de medicijnen binnenhouden. 
  2. niet naar buiten gaan
    • Hij wilde de kinderen binnenhouden, want het regende veel te hard. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be