bindend
Uiterlijk
- bin·dend
| vervoeging van: | binden |
| verbogen vorm: | bindende |
bindend
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | bindend | bindender | bindendst |
| verbogen | bindende | bindendere | bindendste |
| partitief | bindends | bindenders | - |
bindend
- dwingend, niet vrij opzegbaar
- ▸ De wet maakte een raadgevend, niet-bindend correctief referendum over (bekrachtigde) wetsvoorstellen mogelijk en gold van 1 januari 2002 tot 1 januari 2005.[1]
- ▸ Het is een rechtmatig, bindend aanbod, en als ze het accepteert, worden haar misschien ook wel andere dingen aangeboden.[2]
- Dit is een bindend contract dat alleen door een rechterlijke uitspraak ontbonden kan worden.
- Na het eerste jaar krijgt de student een bindend studieadvies.
- gemeenschappelijk
- ▸ Dat de locaties waar onze persoonlijke drama's zich hebben voltrokken in principe de bindende factor zijn.[3]
- [1] verplicht, imperatief,
- Het woord bindend staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "bindend" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ Helen Stout“De Nederlandse rechtsstaat” (2015), Amsterdam University Press
, ISBN 9789048528622 - ↑ Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024586332 - ↑ “All-inclusive”
(2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht
, ISBN 90-229-9182-2 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Onvoltooid deelwoord in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %