bindend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·dend

Werkwoord

vervoeging van
binden

bindend

  1. onvoltooid deelwoord van binden
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bindend bindender bindendst
verbogen bindende bindendere bindendste
partitief bindends bindenders -

Bijvoeglijk naamwoord

bindend

  1. dwingend, niet vrij opzegbaar
    • Dit is een bindend contract dat alleen door een rechterlijke uitspraak ontbonden kan worden. 
    • Na het eerste jaar krijgt de student een bindend studieadvies. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.