bik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bik

Werkwoord

vervoeging van
bikken

bik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bikken
    • Ik bik. 
  2. gebiedende wijs van bikken
    • Bik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bikken
    • Bik je? 

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
64 % van de Vlamingen.


Kroatisch

Zelfstandig naamwoord

bik m

  1. (dierkunde) stier