bik

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bik bikken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bik m [2] [3] [4]

  1. fijngestampte afval van zandsteen, te gebruiken om te schuren; biksteen [5]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
bikken

bik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bikken
    • Ik bik. 
  2. gebiedende wijs van bikken
    • Bik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bikken
    • Bik je? 

Meer informatie

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen


Kroatisch

Zelfstandig naamwoord

bik m

  1. (dierkunde) stier