bijleren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bijleren
leerde bij
bijgeleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

bijleren

  1. onovergankelijk aanvullende kennis of vaardigheid opdoen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.