bevechten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·vech·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bevechten
bevocht
bevochten
klasse 3 volledig

Werkwoord

bevechten

  1. overgankelijk iets/iemand ~: de strijd aanbinden met iets/iemand
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.