betasten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·tas·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
betasten
betastte
betast
zwak -t volledig

Werkwoord

betasten

  1. overgankelijk met de handen iemands lichaam op verschillende plaatsen aanraken
    • De man trachtte haar te betasten, maar zij wilde er niets van hebben. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.