bestoken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·sto·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bestoken
bestookte
bestookt
zwak -t volledig

Werkwoord

bestoken

  1. lastig vallen
    • Hij werd met veel lastige vragen bestookt. 
  2. beschieten
    • Het kasteel werd met kanonnen bestoken. 
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van: besteken…
geen verbogen vorm

bestoken

  1. voltooid deelwoord van besteken

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.