benemen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ne·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van nemen met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
benemen
benam
benomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

benemen

  1. overgankelijk iemand iets ~: laten verliezen
    • Dit benam hem de lust om nog verder te eten. 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.