benam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·nam

Werkwoord

vervoeging van
benemen

benam

  1. enkelvoud verleden tijd van benemen
    • Ik benam. 
    • Jij benam. 
    • Hij, zij, het benam.