belazeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·la·ze·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van de Bijbelse naam Lazarus op Wikipedia (nl) met het voorvoegsel be- [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
belazeren
belazerde
belazerd
zwak -d volledig

Werkwoord

belazeren

  1. overgankelijk (pejoratief) iemand door middel van bedrog benadelen
    • Ze hadden hem zwaar belazerd. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen