belazeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·la·ze·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
belazeren
belazerde
belazerd
zwak -d volledig

Werkwoord

belazeren

  1. overgankelijk (pejoratief) iemand met bedrog benadelen
    • Ze hadden hem zwaar belazerd. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl