bedienaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·die·naar
Woordherkomst en -opbouw

Naamwoord van handeling van bedienen met het achtervoegsel -aar

enkelvoud meervoud
naamwoord bedienaar bedienaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bedienaar m

  1. iemand die een machine bestuurt
    • De bedienaar van de brug is vervangen door een geautomatiseerd computersysteem. 
    •  
  2. geestelijke in een geloof zoals bijvoorbeeld een dominee of priester
    • Hetgeen gebeurd is valt zeer te betreuren maar we mogen niet vergeten dat geloven mensenwerk is en dat ook de bedienaars van het geloof fouten kunnen maken.[1] 

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders
85 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Adrie van Zon 31 augustus 2004