bedevaarder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·de·vaar·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bedevaarder bedevaarders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bedevaarder m [1]

  1. (religie) bedevaartganger
Verwante begrippen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen