beboeten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·boe·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beboeten
beboette
beboet
zwak -t volledig

Werkwoord

beboeten

  1. (overgankelijk) een boete uitdelen aan een persoon
    De agenten waren de foutparkeerders aan het beboeten.
Vertalingen