beamer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bea·mer
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord beamer beamers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

beamer m

  1. projector voor elektronische beelden van computer, dvd, televisie enz.
    • In alle klaslokalen van de school zijn digiborden met beamers aanwezig. 
Synoniemen
  1. videoprojector

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be