instemmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·stem·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘zijn stem met andere verenigen’ voor het eerst aangetroffen in 1766 [1]
  • samenstelling van  in bw  en  stemmen ww 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
instemmen
stemde in
ingestemd
zwak -d volledig

Werkwoord

instemmen

  1. inergatief het eens zijn
    • Zijn vrienden weten dat er nu een schoffering op handen is van alle humorloze betweters. ‘Twintig jaar geleden adviseerde de dokter me om te stoppen met drinken. ‘Oké’, zei ik. ‘Daar stem ik mee in. Maar dan blijf ik wel roken.’ [2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen