balustrade

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
balustrade

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·lus·tra·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hekwerk met stijlen’ voor het eerst aangetroffen in 1825 [1]
  • Via allerlei tussenvormen van het Oudgriekse βαλαύστιον.
enkelvoud meervoud
naamwoord balustrade balustraden
balustrades
verkleinwoord balustradetje balustradetjes

Zelfstandig naamwoord

balustrade v

  1. (bouwkunde) een laag hekwerk dat een min of verheven standplaats omsluit
    • De balustrade viel uit elkaar, wat zeer grote gevolgen zou kunnen hebben. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen