bukken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buk·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bukken
bukte
gebukt
zwak -t volledig

Werkwoord

bukken

  1. (onovergankelijk) vooroverbuigen
    Ik buk niet voor de goede smaak!!!
  2. (wederkerend) zich ~: het lichaam geheel voorover buigen (om bij iets lagers te komen)
    Hij bukte zich om met zijn hand bij de gevallen pen te komen.
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl