backbencher

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • back·ben·cher
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘minder belangrijk politicus’ voor het eerst aangetroffen in 1950 [1]
  • Leenwoord uit het Engels.
enkelvoud meervoud
naamwoord backbencher backbenchers
verkleinwoord backbenchertje backbenchertjes

Zelfstandig naamwoord

backbencher m

  1. een parlementslid zonder bijzondere verantwoordelijkheden
    • We kiezen de eerste politicus, al is het maar een backbencher. 
Antoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

47 % van de Nederlanders
54 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen