avegaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1. boor voor gebruik in een booromslag

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ave·gaar
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘grote boor’ voor het eerst aangetroffen in 1404 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord avegaar avegaars
verkleinwoord avegaartje avegaartjes

Zelfstandig naamwoord

avegaar m

  1. (gereedschap) boor voor gebruik in een booromslag, het boorsel wordt afgevoerd volgens het principe van de schroef van Archimedes, ook als grondboor
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

25 % van de Nederlanders;
24 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen