attaqueren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • at·ta·que·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
attaqueren
attaqueerde
geattaqueerd
zwak -d volledig

Werkwoord

attaqueren

  1. overgankelijk een aanval openen op iemand
    • LeClerc was niet de enige die Burman attaqueerde.[2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders
86 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Wiktionnaire
  2. blz. 179 De Rotterdamse woelreus:de Rotterdamsche Hermes (1720-21) van Jacob Campo Weyerman:
    cultuurhistorische verkenningen in een achttiende-eeuwse periodiek
    Elly Groenenboom-Draai
    Rodopi, 1994