arbeidzaam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·beid·zaam
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen arbeidzaam arbeidzamer arbeidzaamst
verbogen arbeidzame arbeidzamere arbeidzaamste
partitief arbeidzaams arbeidzamers -

Bijvoeglijk naamwoord

arbeidzaam

  1. met genoegen en inzet gewoon om arbeid te verrichten
    • Hij was altijd al een van de arbeidzamere leden van die groep geweest. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.