arbeidzaam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·beid·zaam
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen arbeidzaam arbeidzamer arbeidzaamst
verbogen arbeidzame arbeidzamere arbeidzaamste
partitief arbeidzaams arbeidzamers -

Bijvoeglijk naamwoord

arbeidzaam

  1. met genoegen en inzet gewoon om arbeid te verrichten
    • Hij was altijd al een van de arbeidzamere leden van die groep geweest. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be