annexeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·nexe·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘inlijven’ voor het eerst aangetroffen in 1859 [1]
  • afgeleid van het Franse annexer met het achtervoegsel -eren [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
annexeren
annexeerde
geannexeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

annexeren

  1. overgankelijk het toeëigenen van een grondgebied
    • Oostenrijk werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door Duitsland geannexeerd. 
  2. zich toe-eigenen
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen