anabool
Uiterlijk
- ana·bool
- Leenwoord uit het Grieks, in de betekenis van ‘opbouw van eiwit bevorderend’ voor het eerst aangetroffen in 1973 [1]
- afgeleid van het Griekse 'ballein' (werpen) met het voorvoegsel ana- [2]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | anabool | anaboler | anaboolst |
| verbogen | anabole | anabolere | anaboolste |
| partitief | anabools | anabolers | - |
anabool
- (medisch) weefselopbouwend
- Het wijdverspreid gebruik van anabole steroïden in de sport heeft tot grote opschudding geleid.
- Het woord anabool staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "anabool" herkend door:
| 95 % | van de Nederlanders; |
| 91 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "anabool" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ anabool op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Voorvoegsel ana- in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Medisch in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 95 %
- Prevalentie Vlaanderen 91 %