ambachtshuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • am·bachts·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ambachtshuis ambachtshuizen
verkleinwoord ambachtshuisje ambachtshuisjes

Zelfstandig naamwoord

ambachtshuis o (geschiedenis)

  1. het huis van een ambacht of gilde, het gildehuis
  2. het huis, waarin het bestuur van een ambachtsheerlijkheid is gevestigd (het gemeentehuis van het ambacht)

Gangbaarheid