allergisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·ler·gisch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen allergisch allergischer
verbogen allergische allergischere
partitief allergisch allergischers -

Bijvoeglijk naamwoord

allergisch

  1. (medisch) overgevoelig
    • Hij is allergisch voor zuivelprodcuten. 
  2. (medisch) van overgevoeligheid getuigend
    • Een allergische reactie op medicijnen. 
  3. (figuurlijk) afkerig, wars
    • Ik ben allergisch voor dit gedrag. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie