aftroever

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·troe·ver
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aftroever aftroevers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aftroever m [1]

  1. een slag die men wint bij een kaartspel door een troef te spelen
    • NZ hebben 25 punten en een fit in schoppen, toch is 4♠ kansloos. De internationals Maas-Ramondt gingen in 3♠ al down, toen west klaveren startte en later in die kleur een aftroever maakte. [2] 
    • Bij Italië-Schotland nam Olympisch kampioen Guido Ferraro over met ♡H en switchte correct naar ♦2 (kleurpreferentie voor klaveren). Oost, Dano de Falco troefde, bereikte zijn partner met ♣A en kreeg nog een aftroever, waarna de kaarten voor eentje down in het board werden teruggestopt. [3] 
Hyponiemen


Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Jan van Cleeff 15 september 2001 Op zijn kop
  3. NRC Jan van Cleeff 23 juni 2001 Muiderberg op Tenerife