afschuiven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·schui·ven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afschuiven
schoof af
afgeschoven
klasse 2 volledig

Werkwoord

afschuiven

  1. iemand anders iets laten doen wat je eigenlijk zelf zou moeten doen maar waar je geen zin in hebt
    Hij schoof het vervelende werkje op zijn vrouw af.