afpeilen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·pei·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afpeilen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afpeilen
peilde af
afgepeild
zwak -d volledig
  1. meten van de diepte van een water met een peilstok

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Verwijzingen