Naar inhoud springen

afhakken

Uit WikiWoordenboek
  • af·hak·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afhakken
hakte af
afgehakt
zwak -t volledig

afhakken

  1. overgankelijk door te hakken iets afscheiden
98 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[2]